Zoeken in deze blog

zondag 13 augustus 2017

Verdwalen



Verdwalen

jij dirigeert en navigeert
bewandelt platgetreden paden
Jij ziet en wiedt
het onkruid onderweg
terwijl ik ween 
om wilde kamperfoelie

schoorvoetend vraag ik:
ga je mee verdwalen 
en samen kruipen 
door het struikgewas
en daarna liggen op een luchtmatras?

@Nel Goudriaan











Henk en Anja





Henk en Anja (11)

Het is zondagmiddag. Henk nipt aan zijn glas jenever en Anja lepelt advocaat met slagroom.

‘Weet je wat ooit mijn jongensdroom was?’

‘Werken op de visafslag in IJmuiden,’ grapt Anja.

‘Ik wilde boswachter worden. Elke dag zou ik in de vroege morgen naar de herten kunnen kijken. Eigenlijk zou ik -voordat er een stoet achter mijn baar aanloopt- nog één keer zo’n prachtig mannetjeshert met een gaffel-gewei willen zien.’

‘Henk, doe niet zo somber. Van een verkoudheid ga je niet meteen dood.’


‘Maar als ik de hoofdprijs van de loterij zou winnen, kocht ik voor ons samen een huisje in het bos.’

‘Eerst maar helemaal beter worden, lieverd. Ik koop wel een lot voor je. Deze keer winnen we vast.

Henk en Anja (10)

‘Henk, hier een brief met de vraag of we voldoende verzekerd zijn bij brand.’
‘Hoe kan ik dat weten, Anja. We betalen al jaren hetzelfde bedrag; onze meubels worden steeds ouder.’
‘Je moet je inboedelverzekering up-to-date houden, staat er.’
‘Bah, wat een naar woord: up-to-date. Het gaat om onze geliefde spullen. En inboedel doet me denken aan een begrafenis en een leeg huis.’
‘Wat ben je toch somber de laatste tijd. Sinds die verkoudheid zeg je zulke vreemde dingen.’
‘Nee, ik ben realistisch. Een inboedel is niets waard. Als je doodgaat, mag je blij zijn wanneer de kringloopwinkel alles gratis ophaalt.’
‘Weet je wat, Henk? We zeggen die verzekering gewoon op. Dan hebben we geld over voor een nieuwe matras.’


Henk en Anja (9)

‘Henk, wat doe je nú?’ roept Anja uit, als er plotseling een geelgroene fluim met een boog op de tafel terechtkomt.
Henk antwoordt niet; er volgt een onbedaarlijke hoestbui.
‘We hadden niet zonder onze windjacks moeten gaan fietsen. Je hebt vast kougevat.’
Ze kijkt ongerust naar zijn hoogrode konen en ruimt de tafel af. In eten heeft ze geen zin meer…
‘Je kunt beter naar bed gaan, jochie.’

Anja loopt rusteloos heen en weer door de kamer. Haar blik gaat naar de lege stoel voor het raam. Nadat ze de quiltclub heeft afgebeld, schenkt ze een kop koffie voor zichzelf in zonder het gebruikelijke mariakaakje. Er wacht een lange middag.
Ze besluit een warme wollen sjaal voor Henk te breien.

Henk en Anja (8)

’We zijn geluksvogels, alweer een prijs gewonnen, nu bij de BankGiro Loterij,’ roept Henk blij.
‘Wat winnen we?’
‘Een volledig verzorgd bezoek aan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.’
‘Is dat niet het museum met zalen vol mummies? Ik weet niet, of ik daar nu zo’n zin in heb.’
‘Kom op, Anja, er is een gratis lunch bij.’
‘Alsof ik kan eten in zo’n omgeving vol doden.’
Na wat heen-en-weergepraat is Anja om. Ze gaan welgemoed op reis.

Voor het museum staat een lange rij prijswinnaars; allemaal met hetzelfde kaartje.
‘De wachttijd is momenteel anderhalf uur,’ wordt er omgeroepen.
‘Henk, laten we gaan. We kopen een heerlijk broodje met worst bij Slagerij van der Zon.’
‘Wát zeg je, Anja? Heer-lijk?’



Henk en Anja (7)

Sur le pont d’Avignon,
On y danse …’

Anja ontwaakt met een grote glimlach. De afgelopen nacht heeft ze sinds lang weer gedroomd: ze danste met Peter op de brug in haar ruisende, rode rok. Ze droeg bijpassende pumps met hoge hakken. Ze lachten en kusten elkaar.
Ze denkt terug aan de gelukkige tijd met hem: Peter met zijn gekke invallen, hij was altijd in voor iets nieuws. Op een dag vertrok hij naar Parijs, zonder haar.
Hoe zou een leven met Peter zijn verlopen? Spannend, maar zou ze zonder de stabiliteit van Henk kunnen? Een onbeantwoorde vraag, een som zonder uitkomst.

‘Ben je al wakker, Anja? Wat ben je laat vandaag. Ik heb alvast onze spijkerbroeken en rode T-shirts klaargelegd.’

Henk en Anja (6)

Geweldig, we hebben een frituurpan gewonnen met de Bingo!’ juicht Anja.
‘Ben je niet blij, Henk? Je bent zo stil.
Wat is er met je? Zal ik een kopje koffie voor je inschenken?’
‘Nee, ik heb al genoeg koffie op vanavond.’
‘Een biertje dan?’
‘Ik ga naar bed.’

Anja blijft verbouwereerd achter. Wat mankeert Henk toch? Is hij niet blij met de gewonnen prijs? Had ze misschien toch voor de maaimachine moeten kiezen?

‘Wie was die rare vent die jou gisteravond vol op de mond kuste?’
‘Dat was Peter, mijn vroegere buurjongen. We waren ooit verliefd.’
‘Dat is geen reden je nu nog te zoenen.’
‘Hij feliciteerde me alleen maar. Kom op, Henk, vanavond bak ik lekkere patat voor je.’

Henk en Anja (5)

Het lukt nooit om alles op tijd in te pakken.’
‘Rustig, meisje, het komt allemaal goed. De tas met worteltjes, sperzieboontjes, bloemkool en aardappelen staat al klaar. Vis en vlees kopen we op de markt in Putten.’
‘Vergeet je de fietstassen en de regenjacks niet?’

Uitgeput strompelt Anja de auto in. ‘Zullen we volgend jaar maar thuisblijven?’
‘Als we eenmaal in ons paradijsje in het bos zijn, ben je de drukte weer snel vergeten.’
‘Over vergeten gesproken: hebben we de quiltkoffer bij ons?’
‘Natuurlijk, die heb ik als eerste in de kofferbak gelegd.’

Na een uur rijden, bereiken ze het huisje.
Nadat de koffers zijn uitgepakt en de koelkast is ingericht, roept Anja verheugd:
‘We zijn er even helemaal uit.’

Henk en Anja (4)

Al vroeg heeft Henk de verjaardagsdoos van zolder gehaald om de kamer te versieren. De slingers hangt hij op aan de -daarvoor bestemde- spijkers en over de stoel van Anja hangt hij een bloemenkrans van crêpepapier.
Zoals elk jaar maakt hij haar lievelingsontbijt klaar: toast met honing en een gebakken ei.


Anja komt stralend binnen. Als ze in de stoel plaatsneemt, maakt Henk een rondedansje en zingt daarbij: ‘Lang zal ze leven …’
Het is tijd voor het cadeau. Hij geeft Anja de bekende roze envelop.
‘Oh heerlijk, Henk, een midweek naar ‘ons’ huisje in Putten.
‘Kijk eens op de achterkant.’
‘Het is je weer gelukt: nummer vijfenvijftig.’
‘Volgend jaar nummer zesenvijftig, zegt Henk en hij geeft haar een dikke pakkerd.





Henk en Anja (3)

Snikkend komt Anja uit de spreekkamer van de huisarts. Henk staat verschrikt op: ‘Maar lieverd, wat is er aan de hand? Was ik nu toch maar met je mee naar binnen gegaan.’
‘Hij zei, dat ik niet zo ductiel meer ben op mijn leeftijd.’
‘Wat?’
‘Niet soepel, niet buigzaam.’
Henk wordt rood, zoals altijd als hij verontwaardigd is. ‘Is die man nu helemaal gek geworden? Als er één soepel is, ben jij het wel. We fietsen dagelijks ons rondje, we zijn lid van de quiltclub, we wandelen naar de markt …’
‘Dat is het hem nu juist. De dokter zei dat ik meer afwisseling nodig heb, maar dat wil ik niet.’
‘Dat lossen we samen op: we veranderen gewoon van huisarts.’





Henk en Anja (2)

Al jarenlang zijn Henk en Anja lid van de quiltclub die elke vrijdagavond samenkomt. Ze zijn ooit begonnen met het maken van placemats die ze op verjaardagen hun neven en nichten cadeau doen.
Elke donderdag fietsen ze samen naar de markt om stofjes uit te zoeken. Henk let op de kwaliteit en Anja op de kleuren. Na afloop eten ze kibbeling.
‘Eén bakje met twee vorken,’ roept de visboer al, als hij ze ziet aankomen.


Henk snijdt de stukjes stof met een uiterste precisie op maat en bedient de naaimachine. Anja sorteert de lapjes op kleur en motief. Een bijzonder uitdagend project deze keer: twee identieke quiltjacks die ze elkaar als verjaardagscadeau zullen schenken.

‘We hebben het maar goed samen.’




Henk en Anja (1)

Ze steken tegelijkertijd hun hand op als ik ze groet, Dat vereist enige acrobatiek, als je hand in hand fietst. Ik zie ze meestal van ver aankomen: Henk en Anja in dezelfde rode windjacks. De boodschappen puilen uit hun blauwgeruite fietstassen. Ze dragen beiden stevige, donkerbruine sportschoenen met beige sokken. Twee keer per week maken ze een wandeling door weer en wind. Hun rode konen kleuren dan goed bij de windjacks.
Stiekem verdenk ik ze ervan in dezelfde flanellen pyjama’s te slapen: uniseks …


Op een dag kom ik Henk tegen: hij is alleen. Zijn rode windjack staat open. De veters van zijn schoenen zijn los.
‘Waar is Anja?’ vraag ik.
Hij kijkt me wezenloos aan.
‘Ze is een dagje weg.’

donderdag 22 juni 2017

Paradijs


Paradijs

Kronkelige paden met bloeiende bermen 
Ragfijn fluitenkruid opent zijn schermen 
Koolwitjes fladderen boven paarse rapunzel 
Merels zingen, een verre koekoek roept
boven de heuvel gekroond met zwarte toorts
Zonnestralen strelen mijn schrale huid
Ik word begroet door knikkend nagelkruid
koningsvarens, hemelsleutel, ereprijs
en waan mij even in het paradijs. 

(Jac. P. Thijssepark)

woensdag 14 juni 2017

Breekpunt

Breekpunt

‘Laten we niet meteen naar huis gaan, maar naar ‘ons' restaurant.'
‘Alsof we iets te vieren hebben …’
‘Even rustig praten samen in een andere omgeving. Dat hebben we nu nodig, Marc.'
Hij knikt.

Het is stil in de auto, als we op de snelweg rijden. Ik kijk van opzij naar Marc: hij houdt zijn lippen op elkaar geklemd. Zo zag hij er ook twaalf jaar geleden uit, toen we het ziekenhuis verlieten.
‘We mogen de hoop niet opgeven,' zeg ik meer tegen mezelf dan tegen hem.

Ik sluit mijn ogen en zie de scène weer helemaal langstrekken: de arts die ons nauwelijks durfde aan te kijken, de vraag naar erfelijke ziektes in onze families, maar vooral de blik van Marc, de wanhoop en de angst die eruit spraken.
 ‘De kans op volledige genezing is niet groot, tenzij een direct familielid een nier doneert', sprak de arts.
Marc sloeg beschermend zijn arm om Paul heen.
‘Het komt goed, jongen,' zei hij. ‘Als je beter bent, gaan we weer samen voetballen.'
...
Ik denk aan die andere diagnose: 'De kans dat u samen kinderen zult krijgen is uiterst miniem.'
Een jaar later werd Paul geboren. Marc was uitzinnig van blijdschap. ‘Ik heb het altijd geweten dat ik vader zou worden,' riep hij. Toen hij zag dat bij mij de tranen over de wangen liepen, streelde hij me. ‘Vreugdetranen zijn het. Zie je wel, er gebeuren nog wonderen.'

Ik merk nu pas dat we stilstaan bij een benzinestation. Marc stapt uit om te tanken. Als hij na een tijdje terugkomt, is zijn blik anders. Ik zie een vastberadenheid die ik van hem ken.
‘Alles zal ik voor hem doen: we halen de beste artsen erbij. Ik stel me beschikbaar voor bloedtransfusie en transplantatie van mijn nier. Wie is daar meer geschikt voor dan zijn bloedeigen vader?'
Ik knik, maar mijn hart gaat als een razende tekeer. Dit moment heb ik altijd al gevreesd.

‘Wat ben je stil,' zegt hij.
‘Laat me maar even.'
‘Ik wil er helemaal voor je zijn, juist nu.'
...
‘Ook wil ik een second opinion. We moeten vechten, Inge, en niet lijdzaam afwachten.'
‘Straks in het restaurant praten we verder.'

Als we onder andere omstandigheden hier zouden zijn, zou ik genieten van deze prachtige plek: bloeiende kastanjebomen en rododendrons. Nu wens dat de bomen kaal zijn; ook de vogels mogen stoppen met hun uitbundige gezang.
De ober wijst ons een tafel aan bij het raam. De menukeuze laat ik aan Marc over. Honger heb ik toch niet.
‘Inge, onze Paul is door een wonder geboren. Ook toen was alle hoop de bodem ingeslagen. Zullen we hem alsnog verliezen? Dat geloof ik niet; help me alsjeblieft in deze strijd.'
De ober bezorgt het voorgerecht.
‘Pas op, mevrouw, mijnheer, de soep is zeer heet.'
Ik brand mijn tong, maar dat deert me niet. Nu kan ik nog even zwijgen en de illusie in stand houden. Al die jaren hield ik mijn mond om Marc geen pijn te hoeven doen.
 Ik weet dat ik in één klap zijn leven zal verwoesten, als ik hem de waarheid vertel, maar de ziekte van Paul maakt dat ik geen keus meer heb. Een foute beslissing nam ik om Marc in het ongewisse te laten.
‘Inge, waar ben je met je gedachten?'
‘Ik zie steeds Paul voor me in dat ziekenhuisbed: inwit, maar zijn ogen stonden helder. Vol goede moed is hij, terwijl wij weten …'
‘Wij weten niets, ik vertrouw erop dat hij helemaal herstelt. Alles komt goed.'

De ober zet het hoofdgerecht op tafel: voor mij gemarineerde eend en voor Marc een groot stuk biefstuk.
Ik zie hoe hij - ondanks alles - geniet van de maaltijd.

‘Marc, ik heb je iets te zeggen.'
Hij kijkt me verbaasd aan.
Ik barst los en vertel hem alles wat ik jarenlang verzwegen heb. Steeds maar herhaal ik dat ik alleen van hem gehouden heb en dat hij voor Paul de echte vader is.
Ik zie zijn blik veranderen van ongeloof, verbijstering naar woede. Zijn gezicht wordt grauw; nu is hij degene die zwijgt.
Hij staat plotseling op loopt weg. Ik loop hem achterna en pak hem vast:
‘Marc, natuurlijk ben je kwaad, maar laten we nu aan onze zoon denken. Hij heeft ons nu meer nodig dan ooit.
‘Ik heb geen zoon meer,’ perst hij eruit terwijl hij opstaat en het restaurant uitloopt.






zondag 28 mei 2017

Kikkers


Kikkers. 
(een imitatio van 'Kwallen' van Frans Kuipers)

Drijvende dril in de vijver, 
Een tapijt van licht weerspiegeld in water, 
Glanzende belofte van leven. 

Krioelende kikkervisjes. 
Elkaar verdringend in de kom. 

Kwaakblazen als ballonnen. 
(Ze bestaan slechts uit lucht.) 

Ze lokken en verleiden. 
(Eigendunk is hun motor.) 

Met lange achterpoten 
Vol kracht 
Zetten zij zich af
Tegen vermeende vijanden 

Kikkers.
Politici zijn kikkers

@Nel Goudriaan, 27 mei 2017

maandag 22 mei 2017

Zwijgen

Met gesloten ogen luister ik naar de geluiden van buiten: een merel zingt, eksters maken kabaal in de dakgoot, een vroege krantenbezorger gaat fluitend voorbij. Even lijkt alles weer gewoon.
Ik tast naar mijn mobiele telefoon om te zien hoe laat het is. Het scherm blijft zwart. 
Pas nu realiseer ik me dat ik nog geen enkel piepje heb gehoord; ik doe de telefoon in de oplader, stap mijn bed uit en loop naar beneden. Het is daar vreemd stil. Als ik de koelkast open, zie ik dat het lichtje niet brandt. Ik verlang naar de troost van warme koffie, maar er is slechts een glas   water uit de kraan. Geen geluid van een radiator; ijzig koud is het.

Ik roep je: ‘Laat me niet alleen in deze oorverdovende stilte,' maar je zwijgt. Ik ga terug naar bed en trek jouw deken om me heen. Jouw geur is verdwenen, je kussen ruikt naar wasverzachter: een misselijkmakende rozengeur. Ik kon niet voorkomen dat ze jouw beddengoed wasten.
Geklop op de buitendeur: ‘Doe open alsjeblieft.'
Ik herken de stem van de buurvrouw en wens dat ze verdwijnt. 
Nog dieper kruip ik onder de deken. Ik wil even helemaal niets. Slechts stilte om me heen, de merels en eksters zwijgen met me mee ...

Plots rinkelt de telefoon, de radiator borrelt, lichten knipperen aan. Ik kom onder mijn deken vandaan. 
‘Ik ben zo bij je.'

Zacht trek ik de voordeur achter me dicht en loop de straat uit, regelrecht naar het bankje. De bloemenkransen op de vers omgewoelde aarde zijn verlept. De letters op het lint zijn nog goed leesbaar; ‘Ik heb je lief.'





woensdag 29 maart 2017

Barmhartig

Zijn T-shirt is doorweekt, zweet druipt van zijn gezicht. Tevergeefs probeert hij overeind te komen. Het asfalt is gloeiendheet in de brandende zon.
Waar ben ik, vraagt hij zich vertwijfeld af. De stekende pijn in zijn onderbuik beneemt hem de adem. Flarden van herinneringen komen boven: ‘Vuile poot, flikker op …'  Dan zakt hij weg.

Naderende voetstappen. Als hij zijn ogen opslaat, ziet hij een pastoor: ‘Sorry, broeder, maar de mis begint zo.' En hij loopt weg.
Even later buigt een vrouw zich over hem heen: ’Ik zal 112 bellen.' Ook zij verdwijnt.

Een zwerver maakt zijn veters vast, staat op en strompelt naar de man:
‘Is er dan helemaal niemand die een poot uitsteekt? Kom, vriend, ik draag je wel.'