Zoeken in deze blog

maandag 29 mei 2017

Mariska

I

Mariska’s ogen zijn gericht op het bord waarop haar moeder zojuist bloemkool, aardappelen met jus en een gehaktbal heeft geschept.
‘Wel eten hoor, kind. Dat is goed voor je.’
Voor de vorm prikt ze in de bal, maar als ze ziet hoe bij haar vader het vet langs zijn kin druipt, legt ze haar vork vol afschuw terug.
Haar maag rammelt; ze probeert een stukje bloemkool en telt in gedachten de calorieën. De zorgelijke blikken van haar ouders vermijdt ze.
‘Ik voel me niet zo lekker en ga naar boven.’

Ze bekijkt zichzelf in de spiegel en walgt van haar moddervette lichaam.
Een klop op de deur, de stem van haar moeder:
‘Dit kan echt niet langer. We moeten praten.’


II

De stemming aan het ontbijt is om te snijden. Langzaam zuigt ze op een stukje zure appel.
‘Probeer een halve boterham,’ zegt haar moeder.
‘Mam, zeur niet, ik heb ’s morgens geen honger. Houd eens op met dat gezucht.’

Onderweg naar school stopt ze om de inhoud van haar broodtrommel in de prullenbak te gooien: een boterham met -in plakjes gesneden- koude gehaktbal van de vorige dag. Opgelucht fietst ze verder. Ze voelt zich licht in haar hoofd worden en neemt snel een chocoladerozijntje.
Vanuit de verte ziet ze hem: hij is nog mooier dan in haar dromen. Meisjes verdringen zich om zijn aandacht. Ze weet het zeker: eens komt de dag dat zijn ogen alleen op háár zijn gericht.

III

‘Mariska, kan ik je even spreken?’ vraagt haar mentor.
Ze loopt mee naar zijn kamer en gaat zitten.
‘Wat is er met je aan de hand? Je resultaten vliegen achteruit de laatste tijd en je ziet er bepaald niet florissant uit.’
‘Ik voel me uitstekend. En ja, ik besteed minder tijd aan mijn huiswerk, omdat ik veel sport. Ik ga mijn leven beteren. Echt.’
‘Je weet toch dat je altijd bij me terechtkunt.’

Als ze de klas binnenkomt, zijn vele ogen op haar gericht. Ze wankelt naar haar plaats en ontwijkt de blikken.
‘Je kunt haar botten tellen,’ fluistert iemand. Er wordt gelachen.
Nu sterk zijn, laat ze maar..
Gelukkig lacht hij niet mee. Ze probeert zijn blik te vangen.


IV
Als de les is afgelopen, verlaat Mariska als eerste het lokaal. Ze voelt zich duizelig en loopt onvast naar haar fiets. Straks thuis maar appelchips met kaneel maken: lekker en slechts weinig calorieën.
Plots voelt ze een zachte aanraking en ze hoort een stem: ‘Mariska.’
De adem stokt in haar keel; ze kan nauwelijks praten.
‘Ja,’ fluistert ze.
Als ze haar ogen opslaat, is hij verdwenen …

Met het laatste restje energie fietst ze naar huis. Hij heeft haar vleugels gegeven. Eens zal hij bij haar blijven; eerst vijf kilo eraf. Ze drinkt een glas water en gaat op haar bed liggen. Vrijwel onmiddellijk valt ze in slaap.
Ze wordt wakker van de stem van haar moeder:
‘Kom je eten, Mariska?’




V

‘Een strandwandeling zal je goed doen. Loop gezellig met ons mee.’
Mariska zucht; ze haat die opgeklopte vrolijkheid.
‘Geen zin.’
‘Rijd anders mee en loop je eigen route.’
Daar heeft ze wel oren naar; ze hoeft dan tenminste niet te sjokken.

De zilte zeelucht en de wind om haar oren voelen aangenaam. Licht als een veertje rent ze met blote voeten op het natte strand.
Ze kijkt naar de eindeloze zee. Krachtige golven spoelen aan en laten schelpen achter. Ze pakt er een en houdt hem tegen haar oor.
‘Je kunt de zee erin horen ruisen,’ zei haar vader vroeger.
Maar ze hoort niets …

Ze laat zeeschuim door haar handen glijden: zo licht, zo zacht zou ze altijd willen zijn.

VI

Als ze haar ogen opent, is het strand verlaten. Het begint te schemeren. Op de golven drijft een blauwe kano met daarop een peddelaar, gekleed in een fel oranje pak. Gefascineerd kijkt ze hem na.
Plotseling klinkt er geroep:
‘Waar was je al die tijd, Mariska? We hebben uren lopen zoeken naar je.’
Het hoofd van haar moeder is vuurrood en haar vader klemt verbeten zijn lippen op elkaar.

Onderweg naar huis stoppen ze bij een McDonald’s restaurant.
‘Je moeder heeft geen tijd meer om te koken. Hier gaan we eten.’
Vol walging kijkt Mariska naar de vette patat en de hamburger op haar bord.
‘Gewoon eten wat de pot schaft. Het is afgelopen met die malle fratsen van jou.’


VII

Badend in het zweet wordt Mariska wakker. Als een film trekken beelden voorbij: borden vol patat, etende mensen, maar vooral de blik van haar vader. ‘Fratsen’, hoort ze hem weer zeggen.
Ze is bang het gevecht te verliezen. Nog even en ze sluiten haar op in een kliniek. Steeds vaker klinken de ruzies door de dunne muren heen. Haar moeder neemt het niet meer voor haar op …

Er is maar één oplossing: ze moet weg. Ze stopt kleding en haar dagboek in haar rugtas en sluipt het huis uit.
Het regent, maar dat deert haar niet. Integendeel, het water spoelt haar schoon: geuren van vette frituur verdwijnen. Ze neemt plaats onder een boom en valt als een blok in slaap.

VIII

Rillend van de kou ontwaakt Mariska. Het regent inmiddels niet meer, maar haar kleren zijn nog nat. Het leek zo’n goed plan om van huis weg te lopen. Nu verlangt ze naar een warme douche.
Ze pakt haar dagboek uit de rugtas en begint te lezen:

Het was een topfeest tot tante Louise binnenkwam met haar cadeau: een glanzende coupon van rode zijde.
‘Voor je eerste galajurk,’ zei ze met haar schelle stem. Ze drapeerde de stof om me heen en snerpte: ‘Wat ben jij mollig geworden! Er is stof te kort.’
En dat, waar al mijn vrienden bij waren; ik schaamde me kapot. Ma was woedend op haar: ‘Je hebt gewoon te weinig gekocht; gierig was je altijd al.’ …


IX

Tranen lopen over haar wangen als Mariska de opmerking van haar tante leest. Het woord ‘mollig’ is ze gaan haten. Maar meer nog haar eigen spiegelbeeld: een vies en vet lijf. Bij haar voeten ligt een tak, prachtig van vorm. Ze voelt de scherpte als ze ermee over haar onderarm krast. Terwijl het bloed over haar arm loopt, voelt ze zich gelukkig.
Met rode letters schrijft ze in haar dagboek:
Zo rank als dit takje, waarmee ik deze letters schrijf, zou ik willen zijn.
Haar ogen knijpt ze dicht en ze ziet het takje langzaam veranderen in een danseres. Mariska staat op en danst mee. Even vergeet ze alles.
Ze schrikt op van het geluid van stemmen en naderende voetstappen.

X

Als Mariska haar ogen opslaat, ziet ze een man en een vrouw.
‘Meisje, wat doe jij hier alleen in het bos? Je bent helemaal nat en verkleumd,’ zegt de vrouw.
’Laten we verder lopen; je ziet toch dat het een junk is. Broodmager is ze. Ik heb geen zin in problemen,’ zegt de man.

 De vrouw kijkt nog eenmaal om.
Met ontzetting kijkt Mariska het stel na. Hoe is het mogelijk dat die man haar aanziet voor een broodmagere junk? En dan die blik vol walging en afschuw.
Ze pakt een spiegeltje uit haar tas en kijkt naar haar gezicht: bleek met donkere kringen onder de ogen. Het lijkt alsof ze naar een ander kijkt, een volslagen onbekende.
Ze rilt.



Zie 120w:
https://120w.nl/?s=Mariska&author=600&order=asc&year=

Geen opmerkingen:

Een reactie posten